Extra Zorg

We streven ernaar dat iedere leerling zich ononderbroken kan ontwikkelen en ontplooien. Omdat we te maken hebben met verschillen, moet het onderwijsleerproces zo ingericht worden, dat dit ook mogelijk is. Het is onmogelijk om als school kwaliteit te leveren als de school niet in staat blijkt elk kind de juiste zorg te geven. Omdat de juiste aanpak bij elk kind verschillend kan zijn, is ook de zorg bij leerlingen verschillend. Om ons er van te vergewissen dat de kinderen de juiste zorg en begeleiding krijgen, hanteren we het zorgprotocol.

De Hildegaertschool is een klassikale school. Wij vinden het belangrijk om vanuit die vaste klassikale structuur binnen onze school en klassen ons onderwijs te verzorgen. Hiermee creëren we rust en structuur binnen de school, die de kinderen de ruimte biedt om zichzelf onder begeleiding en met sturing van de leerkrachten te ontwikkelen.

 

In klasse(n) apart

Meestal verloopt een dergelijk proces vanzelf. De meeste kinderen voelen zich in ons systeem zo op hun gemak, dat ze zichzelf binnen de structuur en zonder extra hulp goed kunnen ontwikkelen. Een enkel kind heeft extra zorg en begeleiding nodig. Het spreekt voor zich dat, voor elk kind dat deze extra zorg en begeleiding behoeft, de accenten anders liggen. En daarmee verschilt dus ook de aanpak.

Bij sommige kinderen is er een (dreigende) achterstand waar te nemen in hun ontwikkeling. Dit kan gaan over sociaal-emotionele problemen, motorische beperkingen of beperkte intelligentie. Uiteraard kan er ook sprake zijn van een voorsprong in ontwikkeling, die aandacht behoeft. Ieder kind verdient een passende aanpak en benadering. Binnen ons systeem van Handelingsgericht Werken (HGW) willen wij tegemoet komen aan deze verscheidenheid aan kinderen en hun mogelijkheden, zodat zij zich optimaal kunnen ontwikkelen.

De leraar is als eerste verantwoordelijk voor die aanpak. Deze signaleert de problemen vaak immers als eerste. De groepsleerkracht overlegt met de Intern Begeleider (IB’er) over de beste aanpak van de problemen. De IB’er is degene die overzicht over de totale ontwikkeling van de kinderen houdt. Dat is zo gedurende het zorgtraject, maar zeker ook gedurende de gehele schoolloopbaan van de leerlingen. De IB’er coördineert dus de extra hulp in de vorm van meer hulp in de klas, de inzet van andere leermiddelen of de inschakeling van de één van de Extra Zorgleerkrachten die in kleinere groepen of zelfs individueel met kinderen werken of co-teaching doen.

 

Extra zorg

Een kind met leer- of gedragsstoornissen kan op school bovendien hulp krijgen van externe experts. De IB’er coördineert de afspraken met leraren, ouders en eventueel de Begeleider LeerlingenZorg (BLZ) vanuit PPO. De groepsleerkracht maakt in overleg met de intern begeleider de individuele handelingsplannen voor een periode van zes weken, een half jaar of zelfs een heel jaar.

Gezien onze zorgcapaciteit neemt de school met grote zorgvuldigheid en pas na inschatting van de mogelijkheden van de school om de optimale zorg te kunnen bieden horizontale instromers aan. Het streven is om bij de huidge groepsgrootten per leerjaar maximaal 1 leerling met een specifiek en individueel zorgarrangement aan te nemen. Soms is het echter niet te voorkomen dat er meer van dergelijke leerlingen per jaargroep zijn. De extra tijdsinvestering voor deze leerlingen moet idealiter geen negatieve invloed hebben op de zorg en begeleiding voor de andere leerlingen binnen de groep. Het kind moet zich in elk geval thuis voelen in de groep en het moet zich in een veilig pedagogisch klimaat kunnen ontwikkelen. Jaarlijks wordt de situatie opnieuw bekeken, zowel voor het kind, als voor de betreffende de groep en leerkracht. Er moet bij het kind duidelijk sprake zijn van afdoende leerrendement.

We willen als school bij kinderen eruit halen wat er in zit. Dan vragen kinderen die juist meer uitgedaagd moeten worden een bepaalde aanpak. Hoogvliegers moet je immers ook oplaten. Binnen onze dagelijkse lespraktijk en met de huidige methodes is daar ruimte voor. Wanneer kinderen meerbegaafd blijken te zijn (en soms als zodanig door externe derden zijn gediagnosticeerd, de school is hiervoor niet bevoegd), zijn er extra mogelijkheden. De leerling doet dan in het verdiepte arrangement mee met de groep en volgt alleen die instructie of uitleg die van belang is voor de verwerking van de eigen leerstof. Het kind werkt dan met een Routeboekje, waarin de taak binnen de minimale basisstof van Taal en Rekenen specifiek beschreven staat. De leerling heeft daarnaast werk afgestemd op zijn/haar niveau, dat speciaal is ontwikkeld voor deze groep van leerlingen. Daarnaast kan een kind na een uitgebreide intakeprocedure extra begeleiding krijgen in de Nautilusgroep.

 

Onze zorgcapaciteit

Het is de nadrukkelijke wens van de school om zo veel mogelijk leerlingen op school te houden, ongeacht hun leer- of gedragsproblemen. Dit is tevens het uitgangspunt van Passend Onderwijs. De zorgcapaciteit, het zorgprofiel van de school, is echter helaas begrensd. Naast de normale werkzaamheden in de groep kan de groepsleerkracht zijn/haar extra aandacht in de groep slechts aan een beperkt aantal leerlingen tegelijk geven. In het kader van Passend Onderwijs vertaalt de school de gevolgen hiervan naar de dagelijkse praktijk. Centraal bij de  aanpak staat de leraar en diens professionalisering en ondersteuning bij het werk in de groep. De inzet gebeurt nu met name vanuit het perspectief van wat kinderen wel kunnen. Handelingsgerichte diagnostiek vormt het uitgangspunt. Hiermee is de aanpak in lijn met Handelingsgericht Werken.

Vaak kan er ook door de ouders bij frequente begeleiding met een minimum aan inspanning een maximum aan resultaat behaald worden bij de kinderen. Denk hierbij bijvoorbeeld aan het oefenen van de tafels en dicteewoordjes. Soms is de extra aandacht van thuis al effectief genoeg. Een aantal (zorg)leerlingen heeft problemen, die binnen het groepsplan niet in de groep zelf opgelost kunnen worden. Daarvoor is specifiekere aandacht nodig. Deze aandacht biedt de Extra Zorgleerkracht, hetzij individueel of  in een klein groepje, hetzij in de klas middels co-teaching.

De aard van de problemen bepaalt derhalve hoe een leerling op de Hildegaertschool extra zorg en begeleiding krijgt. De totale hoeveelheid zorg, die de school in tijd kan bieden, is daarbij ook van belang. Deze is o.a. afhankelijk van de door de overheid toegewezen formatie, het aantal arbeidsplaatsen. Dit is weer gebaseerd op het aantal leerlingen en de opleidingsgraad van de ouders.

 

Het protocol voor zorgleerlingen

Binnen het ‘Protocol zorgleerlingen’  heeft de Hildegaert beschreven wat de ouders kunnen verwachten aan informatie over het traject, waar de zorgleerling in terecht komt. In het schoolplan zijn de grote lijnen beschreven.

 

Preventief

De instructie in de groepen wordt in verschillende vormen gegeven.

Wij gaan structureel uit van de drie niveaus. Sommige leerlingen hebben voldoende aan een half woord, deze mogen al snel tijdens de instructie aan het werk. Het grootste deel van de groep volgt de instructie in zijn geheel. Het laatste deel van de groep krijgt een verlengde instructie aan de instructietafel.

In enkele gevallen nemen kinderen thuis al stukken leerstof door, die op school behandeld zullen gaan worden. Op deze manier krijgen zij ook preventieve instructie. Los hiervan staat dan nog de instructie in aangepaste vorm, zoals bij lees- en spellingzwakke kinderen, die een tekst op een groter formaat kunnen krijgen. Ouders worden hierover tijdens de 10-minutengesprekken en informatieavonden geïnformeerd.

 

Het signaleren

Vanuit de observaties, methode en niet-methodegebonden toetsen krijgen de leraren en de IB’er hun informatie over de cognitieve, motorische en sociaal-emotionele ontwikkeling van de kinderen. Soms verloopt die ontwikkeling niet naar wens. De ouders worden mondeling geïnformeerd over de aanpak van de problemen. Uiteraard hebben ook ouders een signalerende functie. Juist dan is het belangrijk met hen te communiceren over de aard en de oplossing van de problemen. In het leerlingvolgsysteem van Esis worden alle signalen in de leerlingdossiers bijgehouden.

 

Het analyseren

Bij het analyseren van het probleem is een aantal stappen waar te nemen:

  1. Wat is de aard van het probleem?
  2. Wat kan de school doen aan de oplossing ervan?
  3. Wat kunnen de ouders doen aan de oplossing ervan?
  4. Wie zouden er nog meer een bijdrage kunnen leveren aan de oplossing?
  5. Welke zorgcapaciteit hebben we momenteel?

Na beantwoording van deze vragen kan de IB’er (evt. in samenspraak met de directie) een besluit nemen over de uiteindelijke aanpak van het probleem. Het probleem kan, afhankelijk van de aard, opgelost worden in de groep zelf, in een groepje buiten de klas of zelfs individueel. Ook kan binnen het tutorleren, maar bijvoorbeeld ook thuis, een deel van het probleem aangepakt worden. Het is belangrijk, dat de ouders de afwegingen kennen, die de school heeft gemaakt om hierin tot een bepaald besluit te komen.

Ook kunnen externe deskundigen worden ingeschakeld. Binnen Passend Onderwijs, kunnen deze deskundigen observaties uitvoeren, hulp bieden of anderszins ondersteunen. Wanneer externen met de zorgleerlingen aan het werk gaan, wordt de ouders eerst om toestemming gevraagd. De ouders worden mondeling van de uitkomst op de hoogte gebracht.

 

Plan opstellen

In veel gevallen krijgt de aanpak van een probleem een plek in het groepsplan. Als de problemen iets dieper gaan dan in het groepsplan is op te nemen, maakt de school een individueel handelingsplan. In dit handelingsplan staat beschreven wat er concreet met de zorgleerling gedaan gaat worden, op welke manier, door wie en hoe lang. Voor het bespreken van dit handelingsplan worden de ouders uitgenodigd.

 

Plan uitvoeren

Als er binnen het individuele handelingsplan met de zorgleerling gewerkt wordt, kan waar nodig met de ouders gecommuniceerd worden over de vorderingen. Dit gebeurt op afspraak.

 

Evaluatie

Na afloop van het individuele handelingsplan wordt de hulp geëvalueerd. Het kan zijn, dat er een vervolgplan wordt geschreven, maar idealiter is het probleem opgelost.

We streven er aldus naar dat iedere leerling zich ononderbroken kan ontwikkelen en ontplooien. Omdat we te maken hebben met verschillen, moet het onderwijsleerproces zo ingericht worden, dat dit ook mogelijk is. In de eerste plaats moeten de leraren daarom de leerlingen goed kennen: wat is hun niveau, wat zijn de kenmerken van de leerlingenpopulatie? Daarna moeten de leerlingen goed gevolgd worden: hoe verloopt het ontwikkelingsproces? Daar waar nodig volgt zorg en begeleiding. Deze zorg kan gericht zijn op leerlingen die wat minder kunnen, maar ook op leerlingen die wat meer kunnen. Om het ontwikkelingsproces te volgen, hanteren we het CITO-LVS. Leerlingen met een IV- of V-score, leerlingen die sterk terugvallen en leerlingen met een I-plus-score komen in aanmerking voor extra zorg. De centrale figuur bij zorg en begeleiding is de leraar. De Intern Begeleider heeft een coördinerende taak.